
Niet beginnen met leren is niet altijd luiheid.
Uitstellen is niet altijd desinteresse.
‘Het boeit me niet’ betekent niet altijd dat het echt niet boeit.
Soms zit daar iets onder wat minder zichtbaar is.
De spanning om te ontdekken dat je iets niet snapt.
De angst om je best te doen en alsnog tekort te schieten.
Het ongemak van dat moment boven een toets waarop je ineens denkt:
Dit had ik moeten weten.
Niet beginnen kan dan veilig voelen.
Want als je niet je best hebt gedaan om te leren en het gaat mis op de toets,
blijft er een uitweg: ‘Ik had ook niet goed geleerd.’
Maar als je wél leert, oefent en blijft proberen en het lukt alsnog niet?
Dan komt het dichterbij.
Dan voelt het niet meer als een slecht gemaakte toets.
Dan voelt het als een oordeel over jezelf.
En juist bij leerlingen van wie we het niet snel verwachten, zie je dit ook.
Denk bijvoorbeeld aan hoogbegaafde leerlingen.
Leerlingen die jarenlang gewend zijn geweest dat goede cijfers vanzelf kwamen.
Die weinig hoefden te doen om toch bovenaan te staan.
Die slim genoeg waren om lang te kunnen leunen op wat ze ergens onderweg al hadden opgeslagen.
Tot het moment komt waarop deze opslag niet meer genoeg is.
Waar anderen al hebben geleerd om te oefenen, herhalen, fouten te maken en door te zetten, moeten zij ineens iets leren wat ze eerder nauwelijks nodig hadden: leren leren.
En dat kan confronterend zijn.
Want voor wie altijd ‘slim’ is genoemd, kan moeite hebben voelen als falen.
Daarom is uitstelgedrag bij leerlingen niet altijd een motivatieprobleem.
Soms is het zelfbescherming.
Bescherming tegen teleurstelling.
Bescherming tegen schaamte.
Bescherming tegen het gevoel niet goed genoeg te zijn.
En precies daar wordt leren kwetsbaar.
Want leren vraagt dat je iets probeert voordat je zeker weet dat je het kunt.
Dat je fouten maakt voordat je het begrijpt.
Dat zichtbaar wordt wanneer je nog zoekend bent.
Als je voorkomt te falen, ontneem je jezelf de kans om te slagen.

