
Je kunt pas jongleren als je durft los te laten.
Tijdens mijn gymopleiding moest ik leren jongleren met drie ballen.
Ik had er de grootst mogelijke moeite mee.
Hoe harder ik mijn best deed, hoe meer ballen er vielen. Ik probeerde te controleren.
Te sturen. Vast te houden.
Maar juist daardoor liet ik de andere ballen vallen.
Tot ik het volgende leerde:
Jongleren draait niet om vasthouden.
Jongleren draait om op het juiste moment loslaten.
Pas als je de ene bal durft los te laten, ontstaat er ruimte voor de volgende.
Ik zie dit zo vaak terug in het onderwijs.
In het onderwijs van mijn eigen kinderen.
Op scholen waar ik kom.
Bij leerlingen die meer aankunnen, maar waarbij we soms te lang blijven sturen, begeleiden of invullen.
Bij de overdracht naar een collega, als een groep na de zomer verdergaat in een andere klas.
Bij OPP’s die steeds langer worden, omdat we bang zijn dat we anders iets vergeten. Of tekortschieten. Of niet genoeg hebben vastgelegd.
Ja zeggen tegen het één, betekent nee zeggen tegen iets anders.
Tegen een goed gesprek met een leerling.
Tegen tijd om samen met een collega naar een passende aanpak te kijken.
Tegen ruimte en rust in de klas.
Tegen aandacht voor wat er vandaag echt nodig is.
Daarom moeten we onszelf steeds opnieuw de vraag stellen:
Wat is echt nodig?
Wat helpt de leerling?
Wat helpt de collega?
En wat houden we vooral vast omdat we bang zijn om los te laten?
Loslaten is geen gemakzucht.
Loslaten vraagt juist moed.
Het vraagt vakmanschap om te bepalen wat de basis is. Wat moet. Wat waarde toevoegt. En waar je bewust kiest om iets níet te doen.
Uiteindelijk leerde ik jongleren met drie ballen.
Niet omdat ik beter leerde vasthouden.
Maar omdat ik eindelijk durfde los te laten.
In het onderwijs geldt dat denk ik vaker dan we denken.
Waar houden we nog aan vast, terwijl het ons, onze collega’s of onze leerlingen eigenlijk belemmert?

