
‘Leerlingen met andere onderwijsbehoeften.‘
Andere? Hoezo andere?
Hebben we die niet allemaal?
In een klas van 25 leerlingen zitten gemiddeld:
• 1 leerling met dyslexie
• 1 á 2 met TOS
• 1 à 2 met ADHD of ADD
• 1 met autisme
• 1 hoogbegaafde leerling
En dan hebben we het alleen over de bekende percentages.
Maar laten we eerlijk zijn:
ieder kind leert anders.
De één heeft meer herhaling nodig.
De ander juist verdieping.
De één denkt in beelden.
De ander in structuur.
De één floreert bij stilte.
De ander bij interactie.
Waarom spreken we dan over ‘andere’ of ‘speciale’ onderwijsbehoeften?
Alsof er een norm is en daarnaast een groep die afwijkt.
Misschien is dát wel de denkfout.
Wat als we erkennen dat verschillen de norm zijn?
Dan verschuift de vraag van:
‘Hoe passen we deze leerling in ons systeem?’
Naar:
‘Hoe ontwerpen we onderwijs waarin verschillen vanzelfsprekend zijn?’
Dat is voor mij (inclusief) onderwijs.
Niet wachten op een label.
Niet werken met uitzonderingen.
Maar onderwijs bouwen op diversiteit.

