Soms kom je in je werk een situatie tegen die je niet loslaat.
Laatst deed ik een rondleiding van een leerling voor een mogelijke plaatsing vanuit het nieuwkomersonderwijs (ISK) naar het (voortgezet) speciaal onderwijs. Sindsdien blijft één vraag bij me hangen: wanneer is een onderwijsplek nog passend?

Ik merk dat het me raakt, juist omdat de context zo bepalend is. Hoe duid je ontwikkeling als iemand nog maar kort onderwijs heeft gehad, niet of nauwelijks gealfabetiseerd is en de taal nog niet beheerst?

Wanneer iemand ‘niet snel genoeg leert’, wat zien we dan eigenlijk? Grenzen in vermogen of grenzen in tijd, taal en kansen?

Het nieuwkomersonderwijs is bij uitstek een plek waar leerlingen in een taalbad terechtkomen en de basis leggen om überhaupt tot leren te komen. Dat is essentieel.

Tegelijkertijd komt er een moment waarop de vraag ontstaat of die plek nog passend is. Maar wie of wat bepaalt dat moment? En wanneer is dit te snel of juist te laat? En op basis waarvan wordt deze afweging gemaakt? En áls dan de stap naar een andere setting wordt overwogen, in hoeverre is die plek dan wél passend wanneer taal en communicatie daar juist nog minder vanzelfsprekend zijn?

Ik merk dat ik hierin vooral vragen heb. Over hoe we blijven onderscheiden tussen niet kunnen en nóg niet kunnen. Over hoe we ontwikkeling beoordelen bij leerlingen met een heel andere startpositie. En over hoe we voorkomen dat iemand tussen systemen in terechtkomt.

Wat me het meest raakt, is het besef hoe groot de impact is van de keuzes die we hier maken voor leerlingen voor wie niets vanzelfsprekend is.

Ik heb geen antwoorden, wel een groeiend besef dat dit uiterste zorgvuldigheid vraagt.