Ze is 16 en dit is haar verhaal.

Ik ben gevlucht. Onderweg ben ik mijn ouders verloren.
En nu… ben ik alleen.

De enige die mijn taal spreekt, ben ik zelf.
Ik praat met mijn gedachten, omdat niemand anders mij echt begrijpt.

Ik ben in Europa aangekomen.
Ik probeer de taal te leren, maar het gaat niet snel genoeg.
Niet omdat ik niet wil, maar omdat mijn hoofd nog vol zit met wat ik heb gezien en gehoord.

Een schuivende tafel klinkt als een explosie.
Geschreeuw op het schoolplein galmt de rest van de dag na in mijn hoofd.
En de ogen die ik hier zie, hoe lief ook, zijn niet die van mijn vader en moeder.

Ik wil mensen vertrouwen, echt.
Maar ik ben bang.

Ik wil contact maken, maar ik kan niet zeggen wat ik voel.
Zij spreken mijn taal niet.
En ik spreek die van hen nog niet.

Ik woon in een AZC.
Er zijn begeleiders.
Mensen die hun best doen, maar het is geen thuis.
En als ik ’s avonds in bed lig,
huil ik omdat ik de veilige armen van mijn vader en moeder mis.

Niemand die voor mij opkomt.
Niemand die mijn verhaal echt kent.

Ik ga naar school.
Ik wil leren, echt.
Maar ik heb nog nooit gelezen.
Nog nooit geschreven.

De letters dansen voor mijn ogen,
terwijl mijn hoofd ergens anders is.

Ik zie andere kinderen sneller gaan.
Naar de volgende klas.
Verder dan ik.

Ze praten over mij.
Ik weet niet wat ze zeggen.
Ze onderzoeken mij.
Maar ze begrijpen mij niet.

Er wordt besloten:
het lukt hier niet.
Ik leer niet snel genoeg.

Niet omdat ik niet kan.
Maar omdat ik eerst moet overleven wat nog in mij leeft.

Ik moet naar een andere plek.
Een plek waar kinderen zitten die ook langzamer leren.
Maar zij hebben niet meegemaakt wat ik heb meegemaakt.

Ik wil leren.
Ik kan leren.

Maar wie ziet mij echt?
Wie komt er voor mij op?
Wie blijft naast mij staan, ook als ik tijd nodig heb?