taalachterstand

Stop met het woord ’taalachterstand’.
Het zegt meer over ons systeem dan over het kind.
Zeker als we het hebben over nieuwkomers en NT2 leerlingen.

We noemen het nog steeds in rapporten, overleggen en beleid. Zelfs in gesprekken met ouders. Maar wat bedoelen we eigenlijk?

Een kind dat net in Nederland aankomt en amper of nog geen Nederlands spreekt, loopt volgens ons ‘achter’.

Op wie precies?
Op kinderen die hier geboren zijn.
Op ónze norm.
Op óns gemiddelde.

Dat kind spreekt misschien twee andere talen vloeiend. Schakelt tussen culturen én heeft al een volledig taalsysteem opgebouwd.

En wat doen wij? Wij noemen het een taalachterstand.

Als ik morgen naar China verhuis en geen Mandarijn spreek, heeft ook míjn startpunt een ‘achterstand’. Terwijl niemand twijfelt aan mijn intelligentie. Niemand ziet mij als risico. Niemand plakt een zorglabel op mij.

Woorden sturen verwachtingen en verwachtingen sturen kansen.
Loopt dit kind echt achter? Of start het op een andere plek, op een ander moment?

En ja, natuurlijk bestaan er taalontwikkelingsproblemen.
Maar dat is iets anders dan een kind dat een nieuwe taal aan het leren is.